15,1% van de huisartsen en andere eerstelijnszorgverleners tewerkgesteld in de huisartsenpraktijk hadden voordat de vaccinatiecampagne startte antistoffen tegen het coronavirus.

Deze resultaten zijn vergelijkbaar met de bevindingen in de algemene bevolking. Dat blijkt uit een studie uitgevoerd door de Universiteit Antwerpen, l'Université de Liège en Sciensano (CHARMING: Coronavirus HuisARtsenpraktijk – MédecINe Générale).

Een jaar lang volgen zij huisartsen en andere eerstelijnszorgverleners die in een huisartsenpraktijk werken op, om te kijken hoeveel van hen antistoffen tegen SARS-CoV-2 ontwikkelen.

Tijdens het eerste testmoment, van 24 december 2020 tot en met 8 januari 2021, dus vóór de start van de vaccinatiecampagne, had 15,1% van de eerstelijnszorgverleners antistoffen tegen SARS-CoV-2.

In totaal werden tijdens het eerste testmoment 2.680 gezondheidswerkers getest. De meeste van hen (2.098) zijn huisarts. Dat komt neer op een deelname van 17,8% van de actieve huisartsen in België: 15,0% van de Brusselse, 21,5% van de Vlaamse en 12,1% van de Waalse huisartsen.

Belangrijke regionale verschillen

Op basis van deze stalen zijn er belangrijke regionale verschillen in de aanwezigheid van antistoffen:

Vlaanderen: 11,3%
Brussel: 18,5%
Wallonië: 20,4%


Deze resultaten zijn vergelijkbaar met de bevindingen in de algemene bevolking. Daar had eind december 16,3% van de bloeddonoren antistoffen tegen SARS-CoV-2, met dezelfde regionale verschillen. Deze verschillen weerspiegelen de epidemiologische evolutie van positieve gevallen binnen elke regio tijdens de 2de golf, waarbij vooral Brussel en Wallonië werden getroffen.

De studie peilde eveneens naar de vaccinatiebereidheid bij eerstelijnszorgverleners: 86,7% van de gezondheidswerkers in deze steekproef gaf aan zich te willen vaccineren van zodra er een vaccin beschikbaar is.

Percentage antistoffen bij eerstelijnszorgverleners vergelijkbaar met percentages antistoffen bij bloeddonoren en gezondheidswerkers in ziekenhuis

Uit deze resultaten concluderen we dat in de periode december 2020-januari 2021 het percentage eerstelijnszorgverleners met antistoffen tegen SARS-CoV-2 gelijkloopt met het percentage antistoffen in de algemene Belgische bevolking en bij zorgverleners in het ziekenhuis. De resultaten weerspiegelen dus de viruscirculatie in de hun omgevende gemeenschap.

Eerstelijnszorgverleners hebben dus geen hoger percentage aan antistoffen, ondanks de grotere kans op besmetting door hun beroep. Dat kan erop wijzen dat deze groep het gebruik van persoonlijk beschermingsmateriaal, zoals handschoenen en mondmaskers, infectiepreventie- en controlemaatregelen, goed hebben toegepast in hun praktijk, met het gewenste effect als gevolg.

Analyses naar de specifieke impact van deze maatregelen en andere beschermende en risicofactoren voor de aanwezigheid van antistoffen tegen SARS-CoV-2 bij de eerstelijnszorgverleners zijn momenteel aan de gang.

Het tweede testmoment vond plaats eind januari 2021, het derde testmoment eind februari 2021. De resultaten worden geanalyseerd en zullen in de loop van maart worden bekendgemaakt op het Sciensano-dashboard.

We danken Domus Medica, Collège de Médecine Générale en de universiteiten van Brussel, Gent en Leuven voor hun ondersteuning en hulp bij het rekruteren van de eerstelijnszorgverleners.